Archief van
Categorie: Verhalen

Schrijven: Brief van DDR-ouders

Schrijven: Brief van DDR-ouders

Vorige week plaatste ik de eerste brief binnen de schrijfopdracht van geschiedenis. Deze brief is het antwoord van de ouders van de eerste briefschrijfster. Hierin worden dus een paar dingen beantwoordt. Ik heb het behoorlijk dramatisch gemaakt, dat was in eerste instantie niet mijn bedoeling, maar ja. Hopelijk vinden jullie het wat.

30 juni, Oderbruch

Elsbeth,

De verrassing was zeer groot om je brief te ontvangen. Na twaalf jaar stilte hadden we niet verwacht nog echt een dochter te hebben. Twaalf jaar is een lange tijd en er is een hoop veranderd in ieders leven. Je vraagt niet eens naar ons leven, een voorbeeld van Westerse arrogantie? Het is wel te lang om allemaal op te schrijven. Je broer is getrouwd in 1990, nog net voor de hereniging en is zelfs al vader van twee kinderen. Je jongere zusje studeert nu in Mainz aan de universiteit. Die goede hersens hebben jullie van je moeder. Verder gaat de gezondheid van je moeder hard achteruit. Sinds de scheiding tussen Oost en West weg is gevallen is ze niet meer dezelfde.

Jij daarentegen bent geen steek veranderd, dat kunnen we wel merken. Je gevoel voor rechtvaardigheid, het benadrukken van persoons eigen verantwoordelijkheid maar ook het betweterige toontje. In de DDR had je het nooit over studeren maar zou je gewoon huisvrouw worden, dat leek je veel leuker. En om halverwege je twintigste nog te beginnen aan een studie is een ijver die we nooit hadden verwacht. Je hebt het niet over een vriend dus we gaan er van uit dat je nog niet onder de pannen ben. Ben je veranderd in een zelfbewuste feminist?

Het doet ons pijn zoveel verwijten van je aan te moeten horen. Toen jij je keuze maakte om te vertrekken en dit zo maar mede te delen liet je blijken dat je niet echt veel rekening met ons hield. Je hebt het over ‘ons niet in de problemen wilde brengen’ maar je hebt niet door hoeveel moeite het heeft ons gekost. De Stasi hield ons ,met recht, beter in de gaten want ze wilden ons als goede burgers niet kwijt raken. Wij waren en zijn inderdaad de onschuldige burgers. In onze kleine gemeente vielen de extra beveiligingsmensen natuurlijk extra op en kregen we veel vragen van onze buren. Dat je voor een tijdje op vakantie in Rusland was, waar iedereen zich positief over sprak, werd na drie maand natuurlijk niet meer geloofd. En toen de roddel door het dorp ging dat je naar het Westen was gegaan werd je moeder uit haar geliefde naaiclub gezet en werd het hele gezin met de nek aangekeken. Binnen onze omgeving is bijna niemand weggegaan, niemand had kritiek en dan wil iedereen beweren dat het zo slecht was. Je bent verwesterd. Iedereen wil ons vertellen hoe slecht we het niet hadden maar het is nu absoluut niet beter geworden. De normale producten zijn niet meer te koop en de boodschappen zijn ontzettend duur geworden. Vroeger konden we elke dag een heerlijke maaltijd eten maar nu is het elk muntje omdraaien. Het leven is er niet makkelijker om geworden. Die Gunther waar jij het over hebt had misschien niet hoeven schieten, een mensenleven is toch wel een mensenleven maar hij voerde uit wat uitgevoerd moest worden. Honecker, onze president zullen we hem maar noemen zodat jij het als westerling het ook snapt, had duidelijk aangegeven wat er moest gebeuren in het geval van vluchtelingen. Dat jij leeft heb je te danken aan een slechte grenswacht, een verrader misschien wel. Je had wel 5 jaar in de cel kunnen belanden.

Maar hoe kun je iemand veroordelen die simpel deed wat hem was opgedragen? Er zouden meer mensen moeten zijn die gewoon doen wat hun gezegd worden. Zo iemand kun je niet de cel in gooien. Ze wilden het ook met onze staatsvoorzitter Honecker doen maar hij is niet veroordeeld. ‘Te ziek’ noemde ze hem maar het was gewoon gebrek aan bewijs. Die man heeft goed voor ons gezorgd en dat ze hem binnen ons land hebben willen afzetten is niet meer dan een schande.

Ik vraag me af hoeveel beter je er van bent geworden om, toen het niet mocht, ons land te verlaten en het bij de buren te zoeken. Word je nu echt gelukkig van al die nieuwe producten, van grotere en betere televisies, van meer zenders, van iedereen die maar schreeuwen kan wat hij wil? Ik heb de afgelopen 5 jaar goed kunnen zien hoe het er aan toe gaat en ik ben nog steeds niet overtuigd. Het zorgt voor verdeeldheid, voor zwakheid van je eigen land en daarbij ook een minder veilige samenleving. Ik word heus niet blij van al die oproerkraaiers waarvan je er zelf ook één lijkt te zijn.

Ik heb, samen met je moeder, de verantwoordelijkheid genomen om een goede burger te zijn. Om volledig achter de ideologie van de DDR te staan. De Duitse Democratische Republiek zijn de mensen die strijden voor idealen zoals geen klassenverschil en geen bezit. Alles was van de staat en de staat droeg zorg voor huis en gezin. Er werd naar ons omgekeken, we betekenden wat. Door onze kinderen goed op te voeden als rechtschapen communisten. Waar is het bij jou dan toch misgegaan? Jij voelt je als rechtenstudent al beter dan een grenswachter die hard werkte om voor zijn familie te zorgen. Je vindt dat hij veroordeeld moet worden, zo lang mogelijk opsluiten is toch het beste volgens jou? Ik had gehoopt dat we je beter hadden opgevoed en het doet me pijn te denken dat jij misschien je landgenoten in de cel gooit. Woorden kunnen niet beschrijven wat dat met een vaderhart doet. Ik wil het beste voor je maar ik denk niet dat we daarin op één lijn zitten.

Omdat het zo lang geleden is dat we voor het laatst contact hebben gehad lijkt het me beter om de banden niet nauwer aan te halen. Je moeder was kapot toen ze je brief las. We houden van onze Elsbeth, maar we kennen deze Elsbeth niet meer. Zoek ons maar niet op, schrijf geen brieven. Geniet van je westerse leven zonder je oosterse ouders.

Groeten,

Karl Schultze

Talk to you later,

Alicia

Schrijven: Brief aan DDR-ouders

Schrijven: Brief aan DDR-ouders

Op school ben ik dus bezig geweest met de Koude Oorlog. Rollenspel, films kijken maar vooral het inleven voor het schrijven van deze brieven. Er zat een hele opdracht aan verbonden met het gebruiken van begrippen en elementen uit de rechtszaak en dat was direct ook het nadeel van deze opdracht. Toch blijft het wel een creatieve opdracht en ik heb het behoorlijk dramatisch aangepakt. Het leek me leuk om dit met jullie te delen. De opdracht bevat drie brieven maar ik plaats vandaag alleen de eerste.

Daarnaast ben ik er achter gekomen dat ik niet de uiteindelijk ingeleverde versie hier thuis heb. Zelfs op school, toen ik de laatste dingen heb aangepast, heb ik niet de uiteindelijke versie goed opgeslagen. En ik ben natuurlijk ook vergeten wat echt anders is geworden. Hopelijk vinden jullie het wel leuk om te lezen.

21 juni 1995, Berlijn

Voor pap en mam,

Ik kan maar slecht de woorden vinden om deze brief te beginnen. Bij de aanhef ging het al mis. Moet ik lieve pap en mam schrijven? Meerdere proppen papier heb ik door mijn kamer gegooid. Ik heb het verscheurd, doorgekrast en telkens opnieuw begonnen.

En dat definieert mij misschien ook wel op dit moment. Vooral verscheurt, herinneringen door krassen en telkens opnieuw willen beginnen. Maar ik wil me niet verscheurd voelen tussen twee landen, tussen twee samenlevingen. Misschien voelen jullie diezelfde wanhoop. Onze verschillend e ideeën hebben ons uit elkaar gehaald. En hoewel dit mijn eigen keuze was heb ik jullie nog vaak gemist. Daarom hoop ik dat jullie deze brief tot het einde zullen lezen, om het allemaal duidelijker te maken en elkaar weer beter te begrijpen.

Na mijn, door jullie gehate, Republiksflucht. De vlucht die ik moest maken vanuit het onveilig voelende Oosten naar het hopelijk betere Westen van Duitsland, heb ik jullie amper nog gesproken. Na mijn reis naar het Westen kwam ik in Hannover terecht maar voor mijn studie ben ik naar Berlijn verhuisd, nu bijna 5 jaar geleden. Op het moment ben ik druk bezig met mijn rechtenstudie, ik ben zelfs bijna afgestudeerd. Daardoor volg ik nu ook een hoop rechtszaken. Er is een hoop te doen om de rechten omtrent de destasificatie. Ik weet niet of jullie dit echt volgen maar jullie kennen toch wel de denazificatie? Net als de Nazi’s na de Tweede Wereldoorlog worden nu ook de mensen die betrokken zijn geweest bij de praktijken binnen de DDR berecht. Grenswachters die vluchtelingen hebben doodgeschoten, Stasi-medewerkers die toch iets meer hebben gedaan dan alleen afluisteren. Alle praktijken komen op tafel en daarmee ook alle eigen herinneringen weer naar boven. Ik ben misschien toch te laat uit het Oosten weggegaan. De laatste rechtszaak heeft er dan toch voor gezorgd dat ik jullie deze brief schrijf. Ik was aanwezig bij de berechting van Gunther Janoschk, een grenswachter die een vluchteling heeft gedood. De verdediging beriep zich voornamelijk op het Schieβbefehl, een argument dat ik de laatste tijd wel vaker heb gehoord. Gunther moest wel schieten, hij stond onder bevel en moest elke persoon die wilde vluchten neer schieten. Bevel is bevel. De aanklagers hamerden juist op de eigen verantwoordelijkheid. Gunther had ook niet kunnen schieten, of mis kunnen schieten. De verdedigers gingen in op de verantwoordelijkheden die Gunther tegenover zijn familie had en dat de consequenties te hoog waren als hij niet had geschoten of zelfs was gevlucht. Ik heb verschillende getuigen gehoord en soms met verbazing geluisterd. Ik denk dat mensen die nooit in het Westen hebben gewoond niet echt kunnen snappen wat vluchtelingen heeft bewogen om wel te gaan. De verdediging van Gunther zei dat de consequenties te hoog waren. Maar zijn de consequenties voor de mensen die wel blijven dan ook niet erg groot? We hoorden het verhaal van een andere grenswachter die het wel gelukt was om te vluchten en zelfs zei dat het eigenlijk ‘best makkelijk’ was. Het muurtje niet al te hoog en hup, hij was in het Westen. Bijzonder binnen de rechtszaak was het document waarin stond dat het Schieβbefehl voor de moord zou zijn ingetrokken. Ik heb al meerdere rechtszaken meegemaakt maar dit bewijsstuk was mij nog niet bekend. De waarde van het document binnen de rechtszaak was alleen niet hoog, geen enkele grenswachter die als getuige werd opgeroepen wist van het ingetrokken bevel en zelfs officier Koch wist er niets van. Janoschk wist er eveneens niets van en dacht in 1964 dus nog steeds onder bevel te staan om te schieten. Janoschk leek in de rechtbank oprecht spijt er van te hebben maar als rechtenstudent weet ik natuurlijk ook dat het maar spel kan zijn. De getuigenis van Susanne Schädlich, dochter van die bekende schrijver Hans-Joachim Schädlich, maakte ook indruk. Zij en haar familie zijn continue bespioneerd door de Stasi, die organisatie die zogenaamd de staatsveiligheid zou bewaren maar eigenlijk alleen de kritische mensen heeft opgepakt. Het idee niemand te kunnen vertrouwen, achtervolgt te worden en je gewoon niet veilig kunnen voelen heeft mij zeker bewogen om te vertrekken. Jullie hebben hopelijk nu wel door wat voor totalitaire samenleving de DDR eigenlijk was. Alles wat je deed werd gecontroleerd en als je ook maar iets opviel werd je net iets strakker in de gaten gehouden. Heeft jullie dat nooit beklemd? Ik werd er gek van maar heb dit na de eerste discussies niet meer aangekaart. Ik wilde jullie niet in gevaar brengen, alleen omdat ik kritisch was.

De verdediging benadrukte ook de menselijkheid en het vredelievende karakter van Janoschk. Zijn collega Gerharda Smith vond hem een fijne en aardige collega. Ook Gudrun Klitzke, lid van de harmonie net zoals Janoschk, vond hem een aardige man. Een prima zet om toch meer medelijden voor hem op te wekken.

Na alle rechtszaken kan ik de verdediging zo nu en dan maar amper geloven. Er worden weinig woorden gerept over de samenleving binnen de DDR. Gebrek aan privacy vindt men doodnormaal. Dat de Stasi zomaar je huis binnen kon gaan, dat lijkt men niet erg te vinden. Onschuldige burgers die door een grenstrekking in een andere samenleving komen en later niet eens mogen vluchten. Ik ben van mening dat jullie een hoop rechten zijn afgepakt waarbij ik zelf vrijheid van meningsuiting toch hoog in het vaandel heb staan. Maar ik heb ook het idee dat jullie daar zelf niet zo over dachten. Vonden jullie het allemaal wel prima wat er gebeurde? Mensen die opgepakt worden voor hun mening?

 Het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid heeft me aan het denken gezet. Want dat heeft toch iedereen? We hadden allemaal toch de keuze om te blijven of weg te gaan, hoe moeilijk dat kon zijn? Dat jullie dat zo veroordeeld hebben heeft me toen enorm pijn gedaan maar ook nu kan ik het moeilijk verkroppen. Dat het contact verbroken werd is begrijpelijk, ik wilde jullie ook niet verder in de problemen brengen maar naar die Wende kon het toch gewoon weer goed komen? Op dat moment was ik daar zelf niet klaar voor maar ik hoop dat jullie nu willen reageren en er een gesprek kan komen. Ik denk dat er een hoop dingen besproken zouden moeten worden. Ondanks al onze verschillen zijn we wel familie. Ik wil graag proberen te begrijpen waarom jullie bleven en hoe jullie leven verlopen is na 1983. Laat in ieder geval iets van jullie horen zodat ik het kan afsluiten.

Liefs,

Jullie dochter Elsbeth

 

Roodkapje waar ga je hene, zo alleen

Roodkapje waar ga je hene, zo alleen

Ik zag Roodkapje vandaag voorbij komen.

Ik fietste mijn gebruikelijke route naar school, langs weiland en bomen, toen me in mijn ooghoek opeens iets roods opviel Ik knipperde een keer met mijn ogen en keek nog eens. Serieus, Roodkapje was duidelijk te zien. Haar cape roder dan rood, haar muts wijd genoeg om haar delicate gezicht te verbergen. Huppelend met haar mandje ging ze me voorbij. Volledig in haar eigen sprookjesachtige wereld waarbij het niet uitmaakte of haar laarzen vies zouden worden, een wolf achter elke boom verstopt kon zijn of dat ze misschien wel iets sneller moest zijn als ze op tijd bij haar lieve oma wilde zijn. Zorgeloos door het veld, lachend,  ik hoor haar nog zo. Zingend over koekjes, haar heerlijke koekjes.

Niets maar dan ook niets in mij twijfelde aan Roodkapje die daar was. Wellicht wat groter en minder blond dan de sprookjes me voor willen houden maar  toch overduidelijk het meisje met de rode cape. Ik keek eens om me heen, zouden er nog meer mensen van dit schouwspel aan het genieten zijn? Zouden zij zien wat ik zag? Geen enkele scholier leek net zo verwonderd als ik op dat moment. Nog een keer keek ik naar Roodkapje, ik was haar maar even uit het oog verloren en toch was ze verdwenen. Teleurgesteld richtte ik mijn blik weer op de weg. Ver voor me zag ik een dieprode, lange jas, wapperend in de wind met een wijde muts. Gelukkig, daar was Roodkapje nog wel, ze was niet verdwenen. Toen keek ik nog eens, ja, dat rode klopte wel. Het mandje had plaats gemaakt voor een rugtas, het huppelen voor een snelle fiets en het zingen was nu slechts gepraat.

Schouderophalend fietste ik verder. Wat is fantasie toch een mooi iets.

 

Klaagzang der potloden

Klaagzang der potloden

Dit kwam ik tegen toen ik mijn documenten eens aan het doorspitten was. Zo’n drie jaar geleden moest ik dit schrijven als genoegdoening voor het feit dat ik een potlood van Margien had afgebroken. Nu ben ik meer schrijfster dan dichter, dus zoveel stelt het niet voor. Het gaat meer om de lol die we er mee hebben gehad. 😉

 

Het moet nu eens afgelopen zijn

En nee, dit zeggen we niet voor de gein.

We worden onderdrukt, hoor je ons?!

We verdienen toch op zijn minst brons.

Voor onze steun en hulp

Maar we krijgen nog geen tulp.

Wij die altijd klaarstaan als de pen het af laat weten.

Als je dat nu eens doorhad!

Maar nee hoor, het enige waar we goed voor zijn

Is het tekenen van een vage rotlijn.

Wij willen meer betekenen voor de mens

En aanbeden worden door vele fans.

Neem onze klaagzang serieus ter ore

En laat je hele familie het horen.

Wij willen serieus genomen worden en gauw

Reageer dus nu niet zo lauw!

Help ons voordat het te laat is

Anders gaat het goed mis.

Eens komt de dag dat de pen jullie in de steek zal laten

En dan zijn wij niet meer jullie maten!

Tot ziens, adieu en goodbye,

De Potloden

 

 

 

 

 

 

 

 

De restantenmoord

De restantenmoord

Simone gooide haar fiets tegen de muur en rende de winkel binnen. Waar was de mega-sale ook alweer? Oja, boven in de winkel moest ze zijn. Restantendag, de dag waarop alle kleding voor een spotprijs de deur uit moest gaan. En dan zou het ook nog eens kleding zijn die ze moest en zou hebben. Gewapend in een relaxte outfit, een dikke portemonnee, wat zou er nog missen kunnen gaan? Eenmaal boven gekomen overzag ze de situatie al snel. Het leek wel een slagveld, kleren lagen overal, mensen waren gewapend met tassen, kinderen lagen op de grond, meegesleept door hun doldwaze ouders. Ze ademde even diep in en uit en bewoog ze naar de menigte, rustig, kalm maar vooral dodelijk. Behendig manouvreerde ze door de mensenmassa heen, wist hier en daar een shirtje te grijpen net voor andere grijpgrage handen om vervolgens af te gaan op haar volgende doel. Ze was snel, geruisloos maar vooral onzichtbaar, haar beste tactiek. Mensen zagen het shirtje wat ze dachten nodig te hebben, knipperden dan één keer en weg was tie. Simone glimlachtte flauwtjes bij het zien van de teleurgestelde gezichten, ze wisten niet met wie ze te maken hadden. Na nog geen tien minuten was haar gewone buit binnen, een paar t-shirts, wat topjes, zelfs nog een trui maar waarvoor ze kwam, een prachtige jas met een zeer warme voering en in een prachtige beige kleur had ze nog niet. Ze wist dat hij er nog hing, in haar ooghoek had ze het nog zien hangen. Ze had er uiteraard direct naartoe kunnen lopen maar ze was zo zeker van haar strategie dat ook dit wel zou slagen. Nog steeds geruisloos liep ze op haar doel af, ja, hij hing er haar maat was het ook nog eens. Ze versnelde haar stappen en hoorde even iets kraken onder haar voeten. Ze maande zichzelf tot kalmte en vertraagde weer. Ze was er bijna, haar restantendag was gewoon glorieus geslaagd. In dat ene moment van triomf had ze de andere hand die van rechts kwam gemist en op dat ongelukkige moment hadden twee paar handen dezelfde jas aan. Simone keek op, wie durfde haar te storen op haar glorieuze missie? Ze kneep haar ogen toen ze haar grootste rivaal zag, Natasja. Ze liet zich niet kennen, ze ademde even rustig in en uit en gaf toen haar vuilste en gemeenste blik. Menig mens was er van teruggedeinsd, gestruikeld over hun eigen voeten maar Natasja krimpte geen moment in. ‘Laat los’ siste ze. Het leek wel of zij alleen in deze winkel, zij en die prachtige jas waar Simone een moord voor zou doen om hem met 70% korting mee te kunnen nemen. ‘Waarom laat jij hem niet los?’ Natasja schudde haar hoofd. ‘Nooit, deze jas is van mij’. ‘Niet, als ik hem koop’. Even was het stil, de spanning was om te snijden en ze stonden als twee kemphanen tegenover elkaar.

‘Ik geef je nog één kans om hem los te laten of het zal het niet leuk voor je aflopen’. Simone stapte over op de dreigtactiek. ‘Waarom battlen we er niet om?’ Natasja glimlachte, overtuigd van haar kansen. ‘Volgens mij heb ik nog een revanche van je te goed’. Ze doelde op de restantendag van vorig jaar toen Simone haar een fractie van een seconde eerder was. ‘Is goed’ bevestigde Simone en beide lieten ze de jas los, deden tien stappen naar achter en stonden lijnrecht tegenover elkaar. Een licht windje speelde met haar lokken, Simone zette de benen iets uit elkaar. Het muziekje uit The Good, the Bad and the Ugly had hier niet misstaan. Natasja klampte een oudere vrouw aan en wees haar de taak toe van aftellen. Lichtjes bevend begon de vrouw. ‘5 … 4 … 3 …2…1…’ en ze schoten vooruit. Simone wist zeker, dit zou haar lukken. Ze was er bijna, haar hand had de mouw al vast totdat ze een pijnlijke steek in haar zij voelde. Ze keek opzij en zag Natasja grijnzen die de jas ook beter vast greep. Stom van verbazing en met grote ogen viel Simone op de grond. Die pijnlijke duw had ze niet aan zien komen, ze had er niet eens op gelet! Triomfantelijk liet Natasja de jas boven haar hoofd vliegen en deed zelfs een soort overwinningsdansje. Simone greep naar haar zij. ‘Hoe kon … hoe deed’ ze stamelde wat woorden, nog steeds verbaasd. Natasja hurkte naast haar neer. ‘Je tijd is over, de nieuwe koningin is opgestaan’ en ze liep weg. Simone hapte naar adem om die laatste opmerking. Daar zat ze dan, verslagen op de grond met de rest van haar buiten om haar heen maar het belangrijkste had de vijand in handen. Hoe kon dit gebeuren? Ze ademde nog steeds zwaar. Ze keek naar links waar Natasja afrekende en weg liep om vervolgens nog één keer om te kijken. ‘Tot nooit weer!’ waarbij ze akelig lachtte. Ze was bijna uit het zicht en Simone kon nog één jammerkreet uitstoten. ‘Wacht maar! Ik zal wraak nemen!’

Ik weet niet hoe het in andere steden zit maar er zit altijd een donderdag in augustus waarbij alle restanten sale voor dumpprijzen verkocht worden. De hele stad rukt uit om de beste koopjes te vergaren. Ik vind het altijd maar overdreven en doe er dan ook niet aan mee maar gaf me even een dramatische inspiratie voor bovenstaande 😉

Talk to you later,

Alicia

De hippie en de theoloog

De hippie en de theoloog

Dit verhaaltje hoorde ik vanochtend in de preek, maar het blijkt dus in dichtvorm te zijn.

 

In het rumoer’ge Amsterdam,

zat eens een hippie op de Dam,

zijn bijbeltje te lezen,

toen hij iets wonderlijks vernam.

En terwijl er een theoloog langs kwam,

werd God luidkeels geprezen.

De theoloog liep haastig voort,

maar toen hij d’uitroep had gehoord

– Hij schuwde fanatieken –

keek hij opeens geheel verstoord,

want hij verwachtte zulk een woord

niet van zo’n excentrieke.

Hij zag hem zitten op een tree

en zei: “Zeg vriend, deel mij eens mee,

wat is er zo bijzonder ?”

“Nu”, zei de hippie, “het idee…..

dat er een pad kwam door de zee,

dat vind ik echt een wonder !”

“Ik moet je zeggen tot mijn spijt”,

zei d’ander vol schijnheiligheid,

“dat is gewoonweg larie….

Het is al lang ’n bewezen feit:

’t Was heel ondiep toen in die tijd.

Maak dus niet zo’n bombarie….”

De hippie was zichtbaar ontdaan,

en d’ander, die was heengegaan,

dacht hem te overtuigen.

Hij had er niet bij stil gestaan,

wat hij die knaap had aangedaan….

toen hij hem hoorde juichen!

Hij was al bijna bij de brug,

maar keerde op z’n schreden terug,

wel enigszins nieuwsgierig.

En heel verbaasd en ietwat stug

vroeg hij” “Vertel mij nu eens vlug:

Wat is er zo plezierig ?”

“Wel, als dat werkelijk zo is,

dan vind ik die gebeurtenis”,

zei d’hippie met een schater,

“Nog van veel meer betekenis,

dat Farao verdronken is

in zo’n klein laagje water!”

Het einde van de tijd

Het einde van de tijd

Ik ben eigenlijk altijd extreem kritisch als het gaat om mijn eigen verhalen. Er zitten hier nog zoveel ‘fouten’ in, vooral wat betreft het verloop van het verhaal, dialoog of slechts monoloog en toch kon ik op het moment er niet wat anders van maken. Niet gestileerd mag ook wel eens voorbij komen 😉

‘Alstublieft, ik smeek u! Laat me gaan! Ik zal alles doen, alles!’ De jongeman lag op zijn knieën op de grond, tranen in zijn ogen en hield niet op met zijn smeekbedes. ‘Ik smeek u’. De andere man schudde langzaam zijn hoofd. Smeken was verspilling van tijd, tijd die toch altijd zo kostbaar was. Tranen stroomden over de wangen van de knielende man. ‘Alstublief, nee!’. De man viel neer, plotseling was het huis vervuld van een immense stilte. De tweede man vertrok, stilletjes, en deed de deur achter zich met een knal dicht. Lichten in het huis gingen aan terwijl de man over de lange opritlaan liep. Het donker van nacht omhelsde hem, als een goede vriend. Vanuit het huis zou niemand hem kunnen zien. Bij de poort aangekomen wachtte de man eventjes. Zou hij zich omdraaien? Zou hij nog iets langer wachten, wachtend op de geluiden van rouwende mensen die zojuist hun dierbare geliefde dood op de grond zien liggen. Hij hield van de geluiden, het liet hem onthouden welke macht hij had in zijn leven. Eventjes liet hij gedachten de vrije loop over wat hij had, wat hij kon en wat hij bereikte. Zijn arrogantie liet hij ten allen tijde blijken, elk moment was hem dierbaar. Niemand zou hem tegen kunnen houden.

Een luide jammerkreet verstoorde zijn gedachten en zijn cynische glimlach verdween. Snel liep hij door, onder de bomen door naar een bestemming die hij zelf nog niet kende. Zijn werkgebied was groot genoeg en toch leek hij nooit druk. De volle maan scheen zo nu en dan door de bomen heen en liet een glimp zien van de man. Van zijn lange, slanke vingers, zijn witte huid die bijna straalde door het volledig zwarte kostuum die de man met een koninklijke air wist te dragen. De maan bescheen zijn volmaakte gezicht, een sterke kaaklijn, donkere ogen maar lieten ook zien hoe meedogenloos zijn blik was.

Daar zo rond dwaalden viel het licht van een dorp in de buurt hem op. Hij hoorde gelach en de muziek van gitaarspel. De tonen riepen hem, de vrolijk lach van vrouwen drong zich naar binnen. Al snel stond hij bij het huis waar alle geluiden vandaan kwamen. Hij keek eens om zich heen en herkende direct de plek. Hij gromde even toen het tot zich doordrong. Wanneer was hij zo onvoorzichtig geworden, wanneer liet hij zich zo gemakkelijk aan anderen zien. Het antwoord stond midden in de kamer, te dansen, te lachen en vooral te genieten van haar … van haar leven. Nooit had hij zich zo door het leven aangetrokken gevoeld, zich zo levendig willen voelen als toen hij haar zag. Weer gromde hij, er was geen tijd om terug te denken aan tijden die geweest waren. De vrouw in de kamer was verleden tijd, ze waren beide verder gegaan. Toch wist zij hem altijd weer naar hem toe trekken. Zijn werkgebied was rond dit dorpje waar ze opgegroeid was, waar ze elkaar hadden ontmoet en vooral waar ze elkaar kwijt waren geraakt. Vervolgens was ze gelukkig geworden met een andere man. ‘Als je het over de duivel hebt’. De knappe en vooral sterke man kwam de kamer binnen, tilde haar op en zwaaide haar in het rond. De man in het zwart balde zijn vuisten, dit soort taferelen kon zijn maag maar slecht verdragen. ‘Tijd om te gaan’ en weg was hij.

Het dorpje was gelegen aan een bosachtige heuvelgebied, ideaal voor de donkere wezens zoals hij om zich er te verstoppen. Op de plek kwam hij graag als hij zich liet leiden nostaligische gevoelens. Het geluid van de muziek drong ook daar nog door en deed hem besluiten verder het bos in te lopen. ‘Weg van die mensen, weg van haar’. Zijn woorden werden spaarzaam gebruikt maar als het om haar ging uitte hij maar al te graag zijn ongenoegen. Ze had hem verlaten zodra hij het dorp de rug had toegekeerd. Iedereen in het dorp sprak schande van die twee, de donkere, zwijgzame en vooral aparte wees die omging met het liefelijkste meisje van heel het dorp. ‘Liefelijk, ze wisten niet beter’. Hij spuwde de woorden uit. Hij dacht van haar te hebben gehouden, hij wilde wel alles doen om bij haar te blijven. Niet meer dan een paar dagen verdwijnen was genoeg voor haar geweest om zich te laten troosten door de krachtpatser van het dorp.

De man bleef staan, liet zijn cape van zijn schouders vallen en ging zitten op de rots. Op het moment was het rustig, ’s nachts was vaak rustig in deze omgeving. Over een paar dagen zou hij wisselen, dan zou een jonge recruut dit gebied voor een tijdje mogen overnemen. Zeven jaar was dit zijn territorium geweest, hij kende de mensen en wist vooral hun zwakke punten. De kennis die hij van ze bevat maakte het makkelijker om te mee te nemen. ‘Allemaal arrogante boerenpummels’. Hij staarde voor zich uit, meerdere klokken tikten door maar geen sloeg er. ‘Ach Alexander, zit je weer te mokken op je geliefde rots’. ‘Je weet dat ik dat niet meer ben’ Alexander lag op de begraafplaats, op onkerkelijk gebied en met slechts een kruis erboven. De ironie van het kruis deed hem even glimlachen. Hij droeg een nu veel zwaarder en vooral zwarter kruis. ‘Hé, ik zit je hier te beledigen ja, en je reageert niet eens!’. De oudere man die naast hem was komen staan schreeuwde in zijn oor. ‘Ik hoor je wel ouwe, wat wil je’. De man was even stil, lichtelijk beledigd door het woord ouwe. Mensen zoals hij werden geen ouwe genoemd, ze verjaarden ten slotte niet echt. ‘Je zit te mokken om een meisje, altijd datzelfde meisje’. De man probeerde het meelevend te zeggen maar kon de lach in zijn stem niet onderdrukken. ‘Hoe doe je dat toch, zo irritant menselijk te blijven’. Ze keken elkaar even aan en de man zuchtte nu even. ‘Ik leef langer met de mensen, ik zie hun tijd weg tikken en ze hebben het niet door. Ze maken andere mensen blij en gelukkig maar het verlengt hun tijd niet. Als ik gewoon mezelf ben help ik er ook alleen mezelf mee.’ Zijn theorie klonk niet eens logisch en toch wist de man in het zwarte gehuld wel wat hij er mee bedoelde. ‘Elk klok tikt maar door, waarom zou je ze willen observeren? Het maakt het meenemen er alleen maar lastiger op’. De andere man schudde zijn hoofd. ‘Juist omdat ik weet dat ze hun tijd hebben verspild maakt het makkelijker om ze te melden dat ze niks hebben’ Zijn stem klonk hard. ‘Ik ga de wereld weer verlossen van een mislukkeling’ en weg was de man. De man pakte zijn zwarte cape weer op en liep weer door het bos.

De tijd tikte altijd maar door. Hij hoorde het telkens maar weer en hij kon ze niet stoppen. ‘Dit is niet waar ik voor getekend heb’. Een handtekening in bloed bezegelde zijn lot in verdoemenis. Niet dat hij dat toen wist, het klonk aanlokkelijk om met de man die hem ophaalde mee te gaan. ‘Je zult bij haar kunnen blijven’. De stem had verraderlijk eng geklonken maar bij haar blijven, dat kon toch nooit slecht zijn? Nog geen dag later wist hij wel beter. De eerste klok had geslagen en hij moest zijn werk gaan doen. Een meisje, nog geen zeven jaar, lag ziek op bed. Midden in de nacht, 8 over 3, stond hij er. Het meisje deed haar ogen en begon te huilen. ‘MAM!’ schreeuwde ze maar niemand zou haar horen. Haar bestaan was al opgehouden, hij moest het alleen afmaken. Hij pakte haar bij de hand, nam haar mee naar een plek die ze mooi vond. Die eerste keer bleek zowel zijn moeilijkste als makkelijkste keer te zijn. Ze had niet gesmeekt, ze had zijn hand gepakt en was niet meer bang geweest. De kleine, schone vingers omsloten zijn lange, al uitgemergelde vingers.

De mensen waren in de loop van de tijd alleen maar lastiger geweest. Arrogant genoeg om op te merken dat het hun tijd nog niet zou zijn.  Helaas, de grondregel was om niet persoonlijk te worden, alleen het nodige mocht gezegd worden, wie die regel overtrad werd zo het genootschap uitgegooid. Er hadden genoeg opmerkingen op zijn lippen gelegen maar hij slikte ze altijd weer in. Hij zou de perfecte personificatie zijn, hij zou hier nooit mee stoppen.

Een klok sloeg heel snel en lang. Hij keek om zich heen, een pad vormde zich door het bos, het pad wat hij zojuist was gelopen. Een onverwacht einde van iemands tijd. Hij was al gauw bij de plek waar een vrouw zachtjes huilde. Ze leefde nog en toch … haar lichaamsteint begon te vervagen. Hij deinsde even achteruit, dit kon hem niet overkomen. ‘Elizabeth?’ zei hij schor. Als zij degene die hij zou mee moeten nemen was een regel overbreken wel het minste waar hij zich mee bezig zou houden. Ze keek hem met betraande gezicht aan en haar ogen vergrootte. ‘Alexander, ben jij dat?’ Hij knikte en hoorde klok in zijn hoofd al maar harder tikken. Ze ging harder huilen. ‘Dit kan niet, jij leeft niet meer!’ Een man stommelde de trap af. ‘Stomme trut, hou je bek nu eens!’ Hij zag eerst zijn vrouw en vervolgens Alexander. ‘En wat doe jij hier?’ De stem klonk dreigend. Alexander reageerde niet, hij was hier niet voor hem. Hij liep naar Elizabeth toe, pakte haar hand. ‘Nee, laat me los! Jij bestaat niet, je bent een geest, je bent niet echt’. Hysterisch begon ze allerlei dingen te schreeuwen. Ze leek in niets meer op de Elizabeth die hij had achter gelaten, die hem al heel snel in de steek had gelaten. Die gedachte verhardde zijn hart. ‘Ik neem je mee, je tijd is op’. ‘Neem haar maar gauw mee ja, die hoer hoef ik niet meer’. Voordat hij besloot om hem ook mee te nemen stuurde Alexander de man naar boven die al gauw weer gedwee de kamer verliet. Sommige talenten sinds zijn overkomst waren toch wel handig. ‘Wat ben jij? Waarom draag je alleen zwart?’ Hij zuchtte even, een bekende meenemen zou nooit makkelijk zijn. Even dacht hij na. Zijn warme gevoelens waren zo goed als verdwenen voor haar, het beste was het om haar te behandelen als ieder ander. ‘Ik neem je ziel mee, je zult ergens anders naartoe gaan en ik breng je’. Duidelijker kon hij het toch niet zeggen. Zijn naam uitspreken van diegene die hij was geworden was nog zo’n regel die niet mocht verbroken worden. ‘Wie moet jij dan wel niet zijn, meneer de Dood ofzo’. En vervolgens lachtte ze om haar eigen woorden. Hij antwoordde niet. Hij pakte nogmaals haar hand. ‘Kom’. Haar tijd raakte nu echt op, haar lichaam werd steeds slapper. Als hij niet op tijd haar ziel meenam moest ze als geest rond blijven dwalen, iets wat hij haar niet kon toewensen. Hij greep haar hand steviger vast. ‘Je gaat nu mee’. Hij probeerde zijn stem krachtiger te laten klinken maar faalde jammerlijk. Wat was dit toch wat hem tegenhield om zijn rol te spelen, hij is toch immers de Dood? Waarom liet hij zich tegenhouden door haar? De klok begon aan zijn laatste twaalf slagen, ook Elizabeth zou haar eindtijd horen naderen. Ze keek nog angstiger. ‘Ik vertrek niet met jou, een verrader die de Dood wil spelen’. Hij lachtte schamper om haar opmerking, in zijn leven was geen tijd voor spelletjes. ‘Ga toch weg, ik wacht wel op een andere keer’. De klok was al bij zijn 6e slag. Haar arrogantie kon hem niet bekoren, hij kon het niet bij haar gaan verpesten. Hij trok haar ziel gedeeltelijk uit haar lichaam, haar ziel was ouder en vooral lelijker dan haar eigenlijke lichaam. Hij kon zien dat ze kennelijk meer tegenslagen had meegemaakt dan hij had gezien door de jaren heen. Nu Elizabeth kon neerkijken op haar ontzielde lichaam drong het pas echt tot haar door. Haar eerdere arrogantie maakte plaats voor angst die hij al eerder op haar gezicht had zien staan. De klok was bij zijn 10e slag. Hij had niet lang mee om haar mee te nemen. Hij had zijn notitieboekje in de aanslag om haar naam aan zijn lijst van ‘slacht’offers toe te voegen tot hij doorkreeg dat ze van hem wegliep. ‘Ik ga niet met jou mee, jij bent een verraderlijk misbaksel, iemand die liever de Dood wilde zijn dan mij met rust te laten. Elke keer zag je als een schim, als een geest uit het verleden. Je hebt me niks dan ongeluk gebracht. Ga weg, schrijf maar een ander zielop met die pen van je. Ik vertrek niet met jou’. Vastberaden bleef ze staan. Nog één slag en haar ziel zou voor eeuwig opgesloten blijven tussen aarde en … wat die andere plek ook moge zijn. Hij kon niet bevatten hoeveel pijn de woorden hem deden, hij had háár ongeluk gebracht? Alsof hij zo gelukkig was met zijn rol in dit leven. ‘Je hebt nog één kans, ga met me mee’. Ze wist niet dat een leven als schim haar veel ongelukkiger zou maken, maar wie was hij nu om haar dat duidelijk te maken. ‘Nee, ik blijf wel, ik zie wel wat dit mij zal brengen’. Hij deed een lok achter haar oren en keek in haar ogen. Als het dan zo zou moeten eindigen voor hen beide zou hij het goed doen. ‘Prima, je deed toch altijd al wat je zelf wilde’. De klok sloeg zijn 12e slag en haar ziel kreeg weer een vastere vorm, dit zou haar bestaan zijn. ‘Vaarwel, Elizabeth’

Zijn taak zat er op. Haar dood zou ook zijn einde betekenen. Hij liet een ernstige grimas zien. Het was raar om te bedenken dat hun leven zo nauw verbonden was met dood. Hij zou de Dood niet meer zijn. Hoeveel regels had hij niet verbroken? En de ergste was nog wel … hij was persoonlijk betrokken geweest. Hoe kon hij ooit nog iemand het leven ontnemen, niet eens zeker er van zijn of het hem zou lukken. Een licht ging naar hem toe. Zou de Dood een vriendelijk einde krijgen? Warmte vervulde hem, een gevoel dat hij lang al niet meer had gekend. Hij omhelsde het licht als een oude vriend, een vriend die hij lang niet meer had gezien. Zo’n einde had hij 7 jaar moeten verkiezen, maar zo was het ook goed. Hij was klaar om zijn leven te verlaten …

Mijn nieuwe vriend

Mijn nieuwe vriend

 

Ooh Wiskunde, ben je er weer? Helemaal klaar om mijn leven te verpesten, om te gooien en vol te stampen en  grafiekjes, optelsommen en andere dingen die ik nooit van je heb willen begrijpen?

Vier jaar geleden namen we afscheid, jij bedroefd omdat je me nog zoveel had te leren. Nog zoveel sommen die opgelost moesten worden, nog zoveel uren die we samen moesten besteden. Ik was zo dol als een pony, eindelijk van je verlost! Geen hoofdpijn meer, geen aanzet tot motivatie om de hoofdbrekende dingen toch op te gaan lossen. Eerder naar huis, meer tijd voor leuke dingen. Ik was blij dat onze relatie voorgoed voor bij was, ik zou het wel redden zonder jou, wie had Wiskunde nu nodig als je ook prachtige anderen had zoals Geschiedenis, Aardrijkskunde, Maatschappijwetenschappen, wie zou Wiskunde nu missen? Ik heb je niet gemist, ik heb met afschuw over je gepraat, ik walgde als ik je voorbij zag komen. Dolgelukkig was ik met anderen, ik had je voorgoed uitgezwaaid …

EN NU BEN JE ER WEER! Je opende je armen, ooh lieve Alicia, we gaan samen zoveel pret beleven. Kijk eens, acht grote hoofdstukken vol met sommen, met vragen die wij samen gaan oplossen. Nouja, Wiskunde zal de vragen gaan hebben en ik moet de antwoorden gaan vinden. Ooh wacht, er was nog een verrassing. Je gaat ook nog een toets halen, vind je dat niet bijzonder? Tranen welde op, zowel bij jou als bij mij. Bij jou van vreugde, bij mij van ergernis en frustratie. Nee! Ik was toch verlost? Ik zou het toch nooit weer terug zien? Wrong thinking. We moeten beste maatjes worden, ik moet je weer leren begrijpen, je proberen te snappen wat je bedoeld. Rekenmachine wil ook bij ons clubje komen te horen, dat is wel goed vind ik want hij kan ten minste nog iets nuttigs. Ooh, vind je dat kwetsend Wiskunde? Denk maar niet dat we het leuk zullen hebben hoor, het word bitter hard werken. Uren zullen we besteden, ik ga schreeuwen, krassen en frustratie op je uitoefenen. We zullen die 8 hoofdstukken in minder dan 10 weken moeten oplossen, nee, dat wordt geen pretje.

En helaas is het dan nog niet eens over. Twee jaar lang zullen we nog aan elkaar vast zitten, iets minder intensief. Ik zal met je slagen, ik zal huilen van vreugde als ik je gehaald heb. Je zult blij voor me zijn.

Maar ooh, dat duurt nog zo lang.

Wiskunde, kijk toch niet zo meelevend. Jij denkt dat we het wel redden, ik weet het niet zo zeker. Gelukkig hebben we altijd nog mensen die wel heel goed kunnen met Wiskunde.

In september 2012 ga ik weer beginnen aan de middelbare school en wel op het atheneum, ik moet wiskunde in halen. Nouja, je zult wel merken hoe ik daar over denk 😉

Talk to you later,

Alicia

Schreeuw om hulp

Schreeuw om hulp

Een schrille jammerkreet vulde de straat. Het geluid droeg ver weg ondanks de grote aantallen mensen die er rondliepen. Niemand keek op of om, liep winkel in en uit alsof ze het geluid niet eens hoorden. In het midden van de straat stond het meisje die de verschrikkelijke klanken uitstootte. Klanken van wanhoop, van pijn en vooral van heel veel verdriet. Wanneer de echo van haar schreeuw weer was uitgestorven schreeuwde ze opnieuw. Zo nu en dan maakte ze zelfs een toeter met haar handen om het geluid nog intenser over te laten komen, maar geen mens die er van opkeek.

‘Help me! Help me dan toch! Iemand?’

Haar stem klonk wanhopig, haar schreeuw steeds luider.

Elke dag, zo rond de klok van 3 uur, stond het meisje er. Ze zette haar paarse rugtas bij een lantaarnpaal en ging zelf in het midden van de straat weer staan. Ze klampte zich aan niemand vast, bedelde niet om geld maar haar roep voor hulp bleef weerklinken.

In principe was ze niemand tot last, de mensen bleven haar toch negeren. Ze droeg haar eigen loodzware last op haar eigen tere schouders. Ze was onveranderlijk, ze zag er elke dag hetzelfde uit. De lange slierten haar dat langs haar gezicht liep, de ogen die geen emotie lieten zien, de kleren die haar steevast te groot waren en de paarse rugtas, een last die ze wel kon afleggen.

De stroom van mensen werd breder en zij bewoog niet mee. Als een rots bleef ze er staan, haar kreten om hulp bleven komen. Ze stond stil, haar leven stond stil. Alleen zou ze het niet lang nog redden. De mensen liepen langs haar heen, stootte haar niet aan, hun leven ging door maar zij bleef een onveranderlijke factor in hun bestaan. De mensen wezen niet naar haar, de mensen fluisterde niet over haar, ze bleven maar lopen, besteedde geen aandacht aan haar. Hun leven had hen zelf al genoeg in bedwang.

Als de klok 4 uur sloeg kwam het meisje in beweging. Ze liep naar haar tas, zwaaide het zware ding over haar rug en liep weg. Onderdeel wordende van de stroom van mensen, ze schreeuwde niet, liet op geen enkel manier haar wanhoop blijken maar werd weer een met de massa.

Niemand verwonderde zich over het kind dat elke dag hun rust verstoorde, niemand besteedde aandacht aan de jammerkreet. Niemand wilde ook maar iets met haar te maken hebben. Niemand sprak over haar, alsof ze niet bestond.

Dagen, weken, maanden gingen voorbij. Jassen maakten plaats voor t-shirts, voor korte mouwen en zonnebrillen om de wereld nog meer buiten te sluiten. De kleren van het meisje waren niet veel anders, met haar lange mouwen om littekens te verbergen, de lange broek om het dunne lichaam ook maar iets meer warmte te gunnen. Haar schreeuw om hulp bleef, elke dag van 3 tot 4. Niemand zag haar aankomen, niemand zag haar gaan. Opeens was ze er, en toen ook weer niet. De mensen keken nog steeds niet op of om.

Op een prachtige dag in juli, een donderdagochtend stond ze er weer.

‘Help me dan toch! Help me!’

Haar schreeuw klonk wanhopiger, haar stem droeg veel verdriet. Haar ogen onthulde tranen, haar handen beeldden pijn uit.

Het was niet haar gebruikelijke tijd, het was niet haar moment om de wereld wakker proberen te schudden maar het mocht niet baten. De stroom van mensen was kleiner maar niet anders dan de mensen die haar ’s middags voor bij liepen. Ze keek eens om zich heen, keek mensen aan. Haar gedrag was in alles anders dan normaal.

Haar echo droeg verder. ‘Help me!’

Na een kwartier stopte ze al met haar roepen, ze pakte haar tas en werd weer onderdeel van de massa.

’s Middags, toen de klok drie uur sloeg hoorden de mensen 3 keer de slagen van de klok …

En toen helemaal niks, de stilte klonk oorverdovend. De mensen keken eens op, keken naar elkaar. Iets in hun dagelijks patroon klopte er niet maar ze konden er niet de vinger op leggen wat ze nu precies mistte.

Niet heel veel verderop, aan de rand van een kleine rivier lag een paarse rugtas. Met een brief daarop vast geplakt zodat de wind deze schreeuw niet weg zou kunnen dragen. Op het briefje stonden niet eens zo veel woorden, woorden die niet van belang hadden kunnen zijn.

‘Ik riep om hulp, maar ik kreeg niets’

In een prachtig handschrift was het er neergezet, duidelijk leesbaar en zonder trillingen was het geschreven, het idee accepterend. Een ouder stel vond het briefje en vreesde het ergste, dit moest een afscheidsbrief zijn, een briefje van wanhoop waar niets mee was gedaan.

De dagen daarop verspreidde het nieuws zich snel. Telkens om 3 uur, na de klokslagen, was het opvallend stil in de straten. De mensen lachten niet, fluisterde vooral met elkaar maar als je goed luisterde was de roep nog wel te horen, heel zachtjes de roep om hulp dat wegstierf. De stilte vulde de straten, de mensen, de massa. Elke dag hadden ze de roep gehoord, genegeerd en vergeten. Het meisje had haar vraag nooit verborgen, ze had het openlijk betuigd. ‘Help me!’

Het laatste wat iedereen van dat meisje had gehoord, de wanhopige schreeuw om hulp die ze wilde ontvangen. Haar stem weerklonk in ieders oren, in de straten, in de huizen en winkels. Haar kreet was eindelijk gehoord …